Dierengedachten

Ik heb wel eens koeien in het voorjaar voor het eerst de wei in zien gaan. De dames door het dolle heen. Zo interpreteer ik het. Nu mogen de buffels van buffelboerderij Keizersrande bij Deventer op Stille Zaterdag van de winterstal naar de wei. De berichten daarover zijn veelbelovend. Het wordt een vrolijke boel. Ik fiets richting boerderij. Hoe dichterbij hoe verbaasder ik ben. Overal auto’s geparkeerd. Bij Nieuw Rande, langs de Rijksstraatweg, in de Uiterwaarden. En honderden fietsen. Er zijn duizenden mensen. Ze staan in drommen rondom een wei, in en rond de stal of op centrale plein. Waar moet ik heen voor goed zicht op de losgelaten dieren? Ik ben niet de enige die zich dat afvraagt, merk ik om me heen. Mijn lengte helpt om overzicht te houden. Dan klinkt: “Ze komen!” Over een betonnen pad komen de zwarte kolossen de stal uitgestormd. Bij de mensenrijen aangekomen aarzelen ze even. En dan dóór. Na enkele bokkesprongen in de wei gaan ze grazen. Dit hele tafereel duurt nog geen minuut. Er staat nog een buffel op het pad. Twijfelend. Vanuit de stal komt nog achterblijvertje aangerend. Samen springen ze de wei in. “Ach, die heeft op de ander gewacht” hoor ik naast me. Dierlijk gedrag wordt vertaald naar menselijke gedachten.

Komt deze massa mensen af op die paar springende buffels? Of is het gewoon een uitje, met een reeks eettentjes op het plein. Overal lange rijen. Het is tenslotte tegen enen. Het loslaattijdstip, 12 uur, is wat dat betreft goed gekozen. Ik heb het wel gezien. Ik vind het leuker om een keer tegen de avond met zonsondergang de buffels te zien. Ze komen dan uit de wei en scharrelen – waterbuffels hè - de kolk in.

Een bioloog schreef over dieren kijken. Je kunt voor de Big Five naar Zuid-Afrika vliegen. Vast spectaculair. Maar schreef hij, ga eens een kwartier op een stoeltje zitten bij bloeiende planten in je tuin. En kijk hoeveel insecten je dan ziet. In de bloemen, op de bladeren, op de bodem. En verwonder je over zoveel variatie en schoonheid. Bij insecten heb ik minder de neiging om hun gedrag te interpreteren als menselijk gedrag.

Bij mijn loopeenden is dat weer anders. Ik breng brokjes in de voederhoek van het eendenveld. Daar scharrelt een vrouwtjes eend. Ze kan nu niet weg en ik ben een bedreiging. Mijn eenden zijn niet schuw, maar ook niet tam. Als ze me opmerkt waggelt ze met veel kabaal naar het uiteinde van het gaas. De woerd komt aangesneld en staat aan de andere kant van het gaas. ‘Oh, die komt haar te hulp’, denk ik. Ik vul de voerbak en verlaat de wei. Dan zie ik de woerd de voederhoek in rennen, hij gaat naar het vrouwtje en begeleidt haar op hoge snelheid richting de vijver. Ik interpreteer het als een reddingsoperatie. Een dappere en galante daad. In de vijver duikt de woerd direct bovenop de eend. ‘Voor wat hoort wat,’ denkt hij. Dat is dan weer mijn menselijke, en ook wel banale, gedachte.