Rijmen en dichten (2)

Na de twee dichtvormen in de HaH van verleden week, deze keer twee andere vormen waarin gedichten naar ons toe kunnen komen. Een vorm die vaak in de laatste regel de lachlust opwekt is de vijfregelige limerick die een vast rijmschema kent van a-a-b-b-a. Wat voor het gemak nog wel eens wordt overgeslagen is het feit dat de limerick ook een vast maatschema heeft, te weten 9-9-5-5-9 lettergrepen. Een goede limerick is te zingen op een overbekende melodie die wordt ingeleid met 6x la. Vaak komt in de eerste zin een plaatsnaam voor, zoals in:

Er was eens een kaasboer uit Gouda
die zat om de tafel zijn vrouw na.
Maar die zei heel vief,
dit is relatief:
als ik harder loop zit ik jou na.

Verder zijn er van de limerick ‘iets minder nette’ versies in omloop, zoals bijvoorbeeld:

Er was eens een man in Caïro
die stuurde zijn sperma per giro.
Zijn vrouw in Milaan
stond dat heel niet aan
en zij zei: Kom jij nou maar hiero.

Er is nog een beroemde dichtvorm waarvan ik u een voorbeeld wil laten zien: het sonnet. Dat heeft veertien regels en de bekendste vorm in Nederland is die met 4-4-3-3 regels. De Engelse dichter William Shakespeare schreef ook heel veel sonnetten, maar hij gebruikte een iets andere vorm, namelijk die met 4-4-4-2 regels. De clou, de punch of de pointe van het gedicht komt meestal in de laatste twee of drie regels terecht. Ik schreef een keer het volgende sonnet:

De wonderen der techniek

Oom Pieter was zo stout geweest
dat men hem nu had afgeschreven.
Hij werd zeer binnenkort een geest,
een strop nam dan voorgoed zijn leven.

Te denken aan zo’n zwaaiend touw
kon hem geheel ontregeld maken:
van kindsbeen af stak het al nauw,
van slingeren moest hij vaak braken.

De beul, het was beslist geen kwaaie,
had vaker zo een klant gehad:
hij wist een galg die niet zou zwaaien.

Hij sprak, nog bezig met de tangen,
toen ome Piet ’t schavot betrad:
“Je wordt cardanisch opgehangen!”